Morgen terug naar huis. Zestien dagen in Breskens verbleven om, weg van de Vlaamse waan van de dag, aan mijn boek te werken. Breskens is een vissersdorpje in de Nederlandse provincie Zeeland. Veel valt er in deze tijd van het jaar niet te beleven, en dat is juist de bedoeling als ik naar hier afzak om te schrijven. Mijn enige ontspanning ’s avonds: de plaatselijke horeca. Zoals Meldert Den Broeder en het café van Odette heeft, zo zijn er in Breskens het restaurant Paddington en de brasserie ’t Vissershuis. En daar ga ik dan mijn kranten lezen, bij het nuttigen van een natje en een droogje. Leve het ‘eetlezen’, een begrip dat de dikke Van Dale heeft gehaald via de auteur Remco Campert.
Die Remco Campert heeft net een boekje over zijn liefde voor katten geschreven. Ik zag het staan in de enige boekenwinkel die het dorp telt: Dagboek van een poes. Ik verwacht niet dat er veel exemplaren over de toonbank zullen gaan, want Breskens is al heel lang vooral een paradijs voor hondenbezitters. De eerste keer dat ik hier kwam, tijdens een zomervakantie, kon ik nauwelijks mijn ogen geloven: onvoorstelbaar veel Duitse toeristengezinnen met één hond, of vaak twee, soms zelfs drie. Gelukkig zijn het beschaafde viervoeters, die niet om de haverklap aanslaan en me uit mijn concentratie halen. (Raadseltje uit de mond van een visser uit Breskens: waarom heeft een hond meer vrienden dan een mens? Antwoord: omdat een hond met zijn staart kwispelt in plaats van met zijn tong.)
Toen de Aalmoezeniers van de Arbeid in 1957 met het Sint-Janscollege begonnen, was hun overste een Nederlander: pater De Laat. Hij had een hond, die hem overal volgde en ongewild een beetje uitgroeide tot de mascotte van de school. Helaas durfde het dier ’s avonds weleens voor enige geluidsoverlast te zorgen.
Oud-leraar Leon Cuypers herinnert het zich nog: ‘Begin jaren zestig bleef ik, net zoals een drietal andere lekenleraars, van maandag tot zaterdag in het kasteel overnachten. Wij hadden elk een kamer op de tweede verdieping, waar zich ook een aantal slaapvertrekken van leerlingen bevonden. Met ons groepje leraars gingen we ’s avonds geregeld een pint drinken in Meldert of omgeving. Bij onze terugkeer stapten we dan altijd zo stil mogelijk door de gang, om de leerlingen zeker niet te wekken. Maar meer dan eens gebeurde het dat de hond van De Laat ons hoorde en vervolgens verschrikkelijk begon te keffen, zodat iedereen wakker werd. Toen hij op een late avond weer eens zo’n blafconcert inzette, heb ik hem een stevige trap verkocht. Die is hij blijkbaar nooit vergeten, want sindsdien hield hij zich bij voorkeur uit mijn buurt.’ Oud-leerlingen die nog de koelbloedige traptechniek gekend hebben van Leon Cuypers als verdediger in de leraarsvoetbalploeg, hebben alle begrip voor de verstandige conclusie van deze hond.
Veel krantenberichten over het Nederlandse onderwijs hier gelezen, het ene nog meer onheilspellend dan het andere. Zoals dit: ‘Het voorgeschreven aantal van 1.040 lesuren in het middelbaar onderwijs is te hoog. De norm kan alleen worden gehaald als scholen de leerlingen te zwaar belasten en algemeen vormende, culturele en sportactiviteiten schrappen.’ Want wat bracht een onderzoek onder 249 middelbare scholen aan het licht? Maar liefst 69 procent van de directies erkent dat ze de lesdagen zo lang maken dat ze het zelf onverantwoord vinden.
Nog moedeloos stemmend nieuws, mij aangeleverd door De Volkskrant, terwijl ik me in ’t Vissershuis over een riante pot Zeeuwse mosselen boog: meer dan de helft van de leerlingen van het middelbaar beroepsonderwijs kan slechts heel simpele teksten lezen. Dan hebben we het toch algauw over zo’n kwart miljoen Nederlandse jongens en meisjes, want het middelbaar beroeponderwijs is hier de grootste schoolsoort na de basisschool. Ze kunnen niet eens de meeste handleidingen volgen en slagen er ook niet in doeltreffend te e-mailen. Met de geleende stem van columniste Aleid Truijens, enkele dagen later in dezelfde krant: ‘Zij zullen levenslang voor spek en bonen meedoen, omdat niemand het de moeite waard vond hen uit te rusten met het belangrijkste instrument in een mensenleven: taal.’
Dieptepunt in de berichtgeving die me in Breskens onder ogen kwam: de dodelijke steekpartij in een Amsterdamse school, waar een 14-jarige leerling een twee jaar oudere jongen om het leven bracht omdat die hem een pen had geweigerd. De twee besloten de ruzie buiten uit te vechten, tijdens de eerstvolgende ‘speeltijd’. De daaropvolgende dag: een soortgelijke steekpartij in een Rotterdamse school, gelukkig zonder dodelijke afloop. Geweld onder Nederlandse leerlingen: om een najaarsdepressie van te krijgen. Steeds meer scholen kiezen dan ook voor detectiepoortjes aan de ingang, pasjessystemen, camera’s en andere Big Brother-vormen.
Morgen terug naar Vlaanderen. Nog één keer een avondwandeling. Een laatste blik op de visserssloepen van Breskens. En eindigen met de hoopvolle visie van Greta Verburg, die ik in een krant verwoord zag op de dag van mijn aankomst. Verburg is de Nederlandse minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Boerendochter van origine – ze had tussen de suikerbieten van Tienen opgegroeid kunnen zijn – en met dito gezond verstand. Volgens haar kan veel ellende worden voorkomen als jongeren weer meer een band leren krijgen met de natuur. Ze zegt: ‘Ik wil in scharrelkinderen investeren om hangjongeren te voorkomen.’
Kippenvel, als ik zo’n formulering lees. |