De titel van dit hoofdstuk in mijn boek is afkomstig van de Nederlandse schrijver Siegfried van Praag, die een aantal jaren in het onderwijs stond. Zijn taak als leraar zag hij als volgt: ‘Een klas is een orkest: een goede dirigent apprecieert alle instrumenten.’ Luc Versteyelen, de Vlaamse jezuïet die ooit mee aan de basis lag van de groene partij Agalev, vindt: ‘Leraren moeten tekstschrijvers zijn op het lied dat ze horen in elk kind.’ Hoe blikken voormalige leerkrachten van het Sint-Janscollege terug op hun jaren in het onderwijs? Hieronder klinken een aantal stemmen.
Jacques Vienne onderwees tot aan zijn pensionering in 2002 wiskunde, maar bracht in zijn lessen ook graag ter sprake wat hem de avond tevoren in een tv-programma was opgevallen. ‘Ik zei vaak: “Jongens, naast wiskunde zijn er nog veel andere dingen belangrijk in het leven.” Ik probeerde me kwetsbaar op te stellen, mezelf bloot te geven. Niet zo evident voor een leraar, maar je moet het doen, anders geven de leerlingen zich ook niet bloot. ’t Is belangrijk dat je hun achtergrond kent. Als iemand beneden zijn niveau presteert, kan dat een specifieke reden hebben, bijvoorbeeld dat zijn ouders aan het scheiden zijn.’
Hij aasde altijd op het vertrouwen van zijn leerlingen. ‘Gezag kun je toch niet afdwingen. Je moet ze voor je trachten te winnen. Lesgeven houdt in dat je een soort vader voor je klas probeert te zijn. Zeker in de internaatsperiode was dat bewustzijn sterk bij me aanwezig, want hun échte vader en moeder waren er wekenlang niet. Vandaar dat ik, als tegengewicht voor de paters, wel eens voor een meer wereldse input zorgde. En, in alle bescheidenheid, ik heb altijd gestreefd naar eerlijkheid tegenover mijn leerlingen. Liever niks zeggen dan iets vertellen dat niet waar is.’
Raymond Van Dycke, wiens zoon Marnix geruime tijd als opvoeder in het internaat werkte, doceerde van 1962 tot begin jaren negentig geschiedenis en aardrijkskunde. Een oud-leerling: ‘Van Dycke – we noemden hem “de Bol” – was de leerkracht die ons het best op de universiteit heeft voorbereid. Hij kwam de klas binnen, begon tegen een verschroeiende snelheid te vertellen, en jij moest maar zien dat je notities nam. Een handboek volgde hij niet. Zijn examens waren niet van de poes: als je 70 procent haalde, mocht je zeggen dat je het heel goed had gedaan.’
De oud-leraar in kwestie heeft een uitleg klaar voor zijn typische aanpak: ‘Ik was een voorstander van het stimuleren van “de eigen verantwoordelijkheid”. Een voorgekauwde cursus op papier, die ze vervolgens van buiten moesten leren, daar zag ik het nut niet van in. Ik wou dat ze zelf noteerden en “opbouwden”, op hun persoonlijke manier. Voor een eerstejaars was dat ongetwijfeld een bruuske overgang na het lager onderwijs, maar na één trimester waren de meesten toch mee.’
Raymond Van Dycke had lange tijd de reputatie dat hij elk jaar precies dezelfde examenvragen stelde. Dus kwam het erop aan die vooraf bij iemand van de hogere jaren te weten te komen. ‘Naar het schijnt maakten sommigen er zelfs een handeltje van’, grinnikt hij. ‘Groot was natuurlijk de verrassing als het op de dag zelf toch andere vragen bleken te zijn. Ik stelde graag vier grote vragen, die uiteenvielen in meerdere deelvragen. Later heb ik me aangepast aan de moderne gebruiken: beeldmateriaal laten interpreteren, multiple choice, enzovoort.’
Rik Arits stopte in 1996 als leraar Nederlands. In de 36 jaar dat hij in Meldert voor de klas stond, kreeg hij niet één keer een inspecteur over de vloer.
Zijn eveneens gepensioneerde collega Jaak Schouteden, inmiddels grootmeester bij de Vlaamse Wijngilde: ‘Grammatica heb ik altijd erg belangrijk gevonden. Je moet eerst de grondregels kennen voor je over een liedje als Dimanche à Orly van Gilbert Bécaud kunt spreken. Daarnaast wilde ik ook mijn passie voor Franse literatuur overbrengen op de leerlingen. Andromaque van Racine, bijvoorbeeld. Door zoiets te lezen, leerden ze iets voor hun latere leven. Want je kent het gezegde: “Non scholae sed vitae discimus”. We leren niet voor de school, maar voor het leven.’
Karel Carmeliet, sinds 2001 weg uit Meldert, studeerde klassieke filologie. Zijn lievelingsvak als lesgever was Grieks. ‘Het mooie aan het Sint-Janscollege heb ik altijd gevonden dat er een hecht contact leraar-leerling was. En die sfeer is na het internaat blijven bestaan: de nieuwe leerkrachten werden er automatisch in opgenomen.’
Toch voelt hij zich naar eigen zeggen soms ‘een oude schoolmeester’. Wanneer dat gevoel vooral opduikt? Carmeliet: ‘Als ik zie dat elke leerling een dossier heeft waarin al zijn zogenaamde afwijkingen vermeld staan. Elk jaar wordt er wel een nieuwe psychische ziekte uitgevonden! Op een vergadering hoorde ik eens: “Die leerling is autistisch.” Omdat ik zelf nooit iets vreemds aan hem had gezien, vroeg ik: “Hoezo?” Het antwoord: “Als de klas gaat voetballen, leest hij liever een boek.” Tja, als je dan al autistisch bent... Maar die vermelding komt wel in zijn dossier, hé. En dat etiket kan hem nog lang achtervolgen.’
Niemand zal Karel Carmeliet trouwens horen zeggen dat, toen pater Martin Geladé stopte met rekruteren, het peil van de school naar beneden is gegaan. ‘Ik kijk namelijk niet naar het gemiddelde van de leerlingen, ik kijk naar elk individu afzonderlijk. Hoe langer je in het vak staat, moet meer je inziet: de slimste van de klas is de domste in bepaalde zaken, en vice versa. Voor mij is iedereen slim en dom tegelijk.’
Op een dag vergezelde hij zijn klas op schoolreis. Vóór de middag stond een educatieve rondleiding door de stadskern van Antwerpen op het programma, na de middag zou er voor het ontspannende gedeelte doorgereden worden naar Bobbejaanland. ‘Aan de Brabo-fontein in Antwerpen was een gids zijn uitleg aan het doen’, herinnert Carmeliet zich. ‘Opeens liet een leerling zich binnensmonds ontvallen: “Wat hebben we daar eigenlijk aan?” Een toevallige passant hoorde het en antwoordde hem zacht: “Jongen, dat is niet de vraag. De vraag is: wat hebben de mensen aan jóu?” Daar heb ik nog vaak aan teruggedacht. Als in Meldert elke dag ook maar één leerling iets aan mij heeft gehad, ben ik heel tevreden over mijn leraarschap.’ |