Dames en heren,
Zevenendertig jaar geleden, een woensdagmiddag. Ik kom thuis van het dorpsschooltje, bij ons in het West-Vlaamse Wijnendale, bij Torhout. Ik zit in het zesde leerjaar. Mijn moeder zegt: ‘Er is hier een pater voor je geweest.’ Ze toont de folder over zijn middelbare school in Brabant die hij heeft achtergelaten. ‘Wat denk je?’ vraagt mijn moeder. ‘Zie je het zitten om daar volgend schooljaar naartoe te trekken?’
‘Jawel’, antwoord ik meteen.
En zo is het allemaal gekomen.
Ik was de oudste van vijf kinderen. Vader een metaalarbeider, moeder een huisvrouw. Als jong meisje was ze altijd de eerste van haar klas geweest. Maar op haar veertiende moest ze thuis blijven om te werken op de ouderlijke boerderij. Zonde van het verspilde talent! Wat is er toch aan intelligent kapitaal verloren gegaan bij jongeren van vorige generaties!
Mijn ouders waren diep van dat besef doordrongen. Hun eigen kinderen moesten wél de kans krijgen om verder te studeren. Mijn moeder was heel gelovig. Als jong meisje wist ze al: ‘Later wil ik veel kinderen.’ En de oudste zoon moest Emmanuël heten. Vanwege de betekenis: ‘God met ons’. Die God moest ík dus voorstellen. Voorwaar een niet geringe opgave.
De komst van Aalmoezenier Martin Geladé, die woensdag in het voorjaar van 1971, ervoer mijn moeder als een duidelijk signaal. De Heilige Geest in een deux-chevauke. Zelf bekeek ik de folder nog eens goed en staarde me blind op dat prachtige openluchtzwembad. Eindelijk zou ik leren zwemmen! Dat dit prachtige openluchtzwembad later in de praktijk een Heilige Geestesbespiegeling bleek te zijn, heeft geen blijvende trauma’s veroorzaakt.
Want ik heb in Meldert wel degelijk leren zwemmen. Hier werd ik zes jaar ondergedompeld in een warm bad van kennis. Aan veel Aalmoezeniers en leraren heb ik later nog vaak teruggedacht. De symfonie van ons leven wordt voor een groot stuk opgebouwd op basis van de motieven uit onze jeugd. ‘Kennis is macht’, beweerde Francis Bacon. Maar wat is al onze kennis waard? We weten niet eens met zekerheid welk weer het volgende week zal zijn. En wat is doorslaggevend: erfelijkheid of opvoeding? Hoe minder haar ik had, hoe meer hoofd ik kreeg, én hoe groter het inzicht werd dat intelligentie en wijsheid twee verschillende planeten zijn.
Het is 1973, de ouderdag van het tweede trimester in Meldert. Mijn vader gaat even luisteren wat klastitularis Raymond Van Dycke over zijn zoon te melden heeft. Mijn leraar geschiedenis en aardrijkskunde is formeel: ‘Die zoon van u, die droomt veel in de klas, hoor.’ Mijn vader brengt me de boodschap een beetje beduusd over. Ik begreep eerlijk gezegd niet wat meneer Van Dycke tegen dat dromen had. Ik vond, en vind nog altijd: dromen is óók werken. En een kaart van de wereld waarop Utopia niet voorkomt, is niet de juiste wereldkaart. Misschien moet zelfs droomkunde maar zo snel mogelijk een verplicht vak worden op deze school, liefst zo praktijkgericht mogelijk.
Laat er geen twijfel over bestaan: ik vond meneer Van Dycke een héél goede leraar, net als al die andere leraren die graag buiten de oevers van hun eigen vakgebied traden. Ik ben ze allemaal erg dankbaar. ‘Geen onbeschaamder dier dan een ondankbaar mens.’ (Joost van den Vondel)
Ik ben vooral blij dat ik de Latijnse heb gevolgd. Net als de Nederlandse dichter Jean-Pierre Rawie, die ik tijdens een interview eens vroeg: ‘Klopt het dat u een alcoholist bent?’ Waarop hij antwoordde: ‘Nuance: ik ben een alcoholicus. Iemand met een klassieke opleiding.’ Maar dit terzijde.
Bij Plato leerde ik: ‘Van alle wilde dieren is een jongen het onhandelbaarst.’ Begrijpt u nu, dames en heren, waarom ik met terugwerkende kracht, zoveel respect heb voor de Aalmoezeniers van de Arbeid? Ze hebben er hier in al die jaren toch veel getemd.
In alle ernst: een boek schrijven, het kost misschien veel zweet, maar een adolescent opvoeden, dát is pas een project. Daarom hulde aan dat specifieke opvoedingsproject van de Aalmoezeniers, vandaag vooral door leken in de praktijk gebracht. Wij, oud-leerlingen, zijn hier allemaal op een dag vertrokken, in het besef dat we een schatkamer aan kennis en inzichten meenamen. En we zouden iets van ons leven maken.
Dit zijn andere tijden dan de tijd waarin ik op dit college zat. Met de geleende stem van Vlaams minister Bert Anciaux: ‘Het wordt tijd dat er een diepgaand generatiepact wordt afgesloten. Een dat niet meer handelt over productie, loon en loopbaan. Maar een dat gaat over ruimte en respect voor goede opvoeding. Een waar kinderen centraal staan. We slibben meer en meer dicht in onze welvaartmaatschappij. Kinderen hebben recht op geborgenheid. Een land met zoveel doodsverering en zelfmoorden onder jongeren moet zich dringend herpakken. Een dialoog met de jeugd is de uitdaging.’
Geschiedenis is niet wat er is gebeurd; geschiedenis is wat de mensen zich herinneren. Dit boek is míjn geschiedenis van vijftig jaar Sint-Janscollege. Leraars en leraressen van nu, schrijf ze verder. Hérschrijf ze desnoods.
Het leven is een voortdurend afscheid nemen. En toch: je kunt een jongen uit het Sint-Janscollege halen, maar je kunt het Sint-Janscollege niet uit de jongen halen. |