Daar staat hij dan voor me. Pater Martin Geladé, die de leerlingen van mijn generatie onder elkaar ‘Opa’ noemden. Ik heb hem meer dan dertig jaar niet gezien, maar van ver herken ik al zijn galmende stem. Als we elkaar de hand schudden, stel ik vast dat hij in wezen nauwelijks is veranderd. Alleen een beetje magerder geworden. Verder bruist hij nog altijd van de energie, al is hij intussen de tachtig voorbij en heeft hij in 2001 een hartinfarct gehad, met twee overbruggingen als gevolg. Maar dat belet allemaal niet dat hij nog altijd een charismatische beweging op zich is. Leraar Rob Gerits vergezelde hem in de zomer van 2007 naar Congo. ‘Je had hem daar eens in actie moeten zien’, steekt Gerits zijn bewondering niet onder stoelen of banken. ‘Hij leek wel een dertiger. Die man wordt nooit moe!’
Van bij de start van het Sint-Janscollege nam Martin Geladé de taak op zich voor de rekrutering van de interne leerlingen te zorgen. Daarvoor rotste hij over Vlaanderens wegen, in een tijd dat de gps en andere routeplanners nog lang niet bestonden. Met zijn deux-chevauke toog hij op zoek naar nieuwe jongens voor het volgende schooljaar. Dat hij de snelheidsmeter niet altijd nauwlettend in de gaten hield, was algemeen geweten. Meer dan eens werden er grappen over gemaakt in het collegeblad. Zoals in 1972: ‘De heer Geladé krijgt reductie op de wegentaks, omdat vastgesteld werd dat hij gewoonlijk toch maar op twee wielen rijdt.’
Een oud-leerling herinnert zich: ‘We zaten eens met enkele jongens in zijn wagen. Aan zijn versnellingspook hing een paternoster te bengelen. Eén van ons vroeg de pater waarom hij toch altijd zo snel reed. Zonder verpinken antwoordde hij: “Ach, jongens, als ik 140 km per uur rijd en God roept mij, dan ga ik. En als God me roept terwijl ik 40 km per uur rijd, dan ga ik ook.” In zijn perceptie was het de Grote Baas aller autowegen die over de gevolgen van zijn rijgedrag besliste.’
In de Vlaamse dorpen en gemeenten ging Martin Geladé bij de hoofdonderwijzer informeren wie de slimste leerlingen in het vijfde en zesde leerjaar waren. Alleen in die beste categorie was hij namelijk geïnteresseerd. Het zadelde het Sint-Janscollege lange tijd op met de reputatie van ‘eliteschool’. Andere colleges ergerden zich trouwens aan die manier van rekruteren. Leraar Renil Cappelle: ‘Als ik vroeger vertelde dat ik lesgaf in Meldert, kreeg ik daar soms boze reacties op van collega’s van andere scholen. Dan zeiden die: “Jullie romen de toplaag af en wij moeten vrede nemen met de rest.” Dat vonden ze geen fatsoenlijke manieren.’
Een kandidaat-leerling voor Meldert moest slim zijn, maar er was ook nog een tweede voorwaarde: hij moest in de visie van Martin Geladé uit een ‘goed nest’ komen. Dus ging hij poolshoogte nemen bij de ouders. Zoals in het geval van deze oud-leerling: ‘Pater Geladé kwam ’s avonds laat aanbellen bij ons thuis. Hij vroeg aan mijn moeder of ze misschien een boterham voor hem had. Mijn moeder, die zeer gelovig was, nodigde de pater natuurlijk meteen uit aan tafel. Ondertussen begon hij een warm pleidooi te houden voor het Sint-Janscollege. “Jullie hebben het beste met je zoon voor”, zei hij tegen mijn ouders. “Wel, dit zou een uitstekende school voor hem zijn.” En ja, ze waren onder de indruk van wat hij allemaal te vertellen had.’
‘Eerst wilde ik altijd aftasten welke ouders het waren’, benadrukt Martin Geladé. ‘Als ik bijvoorbeeld voelde dat ze het internaat alleen maar beschouwden als een makkelijke manier om enige tijd van hun jongen af te zijn, hoefde het voor mij al niet meer. Ze moesten wel degelijk geloven in ons opvoedingsproject. En ik wilde ook geen verwende kinderen, maar jongens met inzet.’
Tot eind jaren zeventig bleven de leerlingen meerdere weken aan één stuk in het college. Toen in de jaren tachtig het Sint-Janscollege een weekinternaat werd, hield Martin Geladé de eer aan zichzelf: ‘Ik ben gestopt met rekruteren, omdat ik een weekinternaat niet kon accepteren. Mijn ideaal was altijd geweest: de Aalmoezeniers van de Arbeid met de interne leerlingen een mooie gemeenschap laten vormen – een beetje naar analogie met de eerste kerkgemeenschap. Daarvoor was volgens mij de minimumvereiste dat de leerlingen twee weken ononderbroken in Meldert bleven. Van alle kanten heeft men nog aangedrongen dat ik het verder zou blijven doen, maar ik kon het niet meer opbrengen. Ik wilde het niet meemaken dat ouders voor een weekinternaat kozen uitsluitend omwille van het gemak, omdat ze dan vijf werkdagen van hun kinderen verlost waren. Dáár wilde ik mijn priesterleven niet in steken. Daarom heb ik toen andere humus gezocht.’
Vandaag heeft hij, ondanks zijn hoge leeftijd, vier Limburgse parochies onder zijn hoede. Of hij een idee heeft hoeveel auto’s hij tijdens zijn Meldertse jaren versleten heeft? Brede glimlach: ‘Ik ben eens beginnen te tellen en ik kwam uit op achttien. Toegegeven, ik heb een paar keer geluk gehad. Bijvoorbeeld die dag in Zaffelare, toen ik verblind werd door de zon. Daardoor reed ik vol gas rechtdoor, over een gracht. De snuit van mijn geitje kwam aan de andere kant van de berm terecht, maar ikzelf bleef gelukkig ongedeerd. ’s Avonds laat durfde in de wagen de vermoeidheid wel eens toe te slaan, hoor. Maar dan ramde ik opeens een borduur en was ik weer klaarwakker.’
Klaarwakker om zijn droom te realiseren. |