blog  
   
line decor
  
line decor
 
 
 
 

 
 
Tussen de kanaries en de opiumpijp
(december 2007)

De Aalmoezeniers van de Arbeid die in 1957 met de school begonnen, vormden een bont gezelschap. Onder hen zelfs een Pool: Richard Cieslak. Verder nogal wat Nederlanders. Zoals Cees Moerel, die zowaar een tijdje turnles gaf, zonder dat hij daar ook maar enige opleiding voor had gekregen. ‘Vraag me dus niet welke oefeningen hij de leerlingen liet doen’, grinnikt voormalig directeur Henri Serroyen. In 1967 vertrok Cees Moerel naar een missiepost van de Aalmoezeniers in Brazilië. Het collegeblad wijdde toen een artikel aan hem. Redacteur K.G. in zijn biografische schets: ‘Na zijn priesterwijding ging meneer Moerel aan de slag in de visserijschool van Oostende. Daar was hij ook aalmoezenier van de vissers. Het moet een mooie tijd geweest zijn. Als we hem mogen geloven, heef hij samen met die mannen heel wat bakken bier uitgedronken. En aan zijn gloedvolle (donder)preken horen we nog altijd dat hij ooit heeft geleefd tussen ruwe zeebonken.’

Van alle Aalmoezeniers van de Arbeid die er in Meldert zijn geweest, was Ferdinand Cools de kleurrijkste paradijsvogel. Vanaf 1957 gaf hij op het college onder meer Frans en Latijn. In 1968 werd hij 65 jaar en sindsdien leidde hij een zonderling, eigenzinnig bestaan. Ook op Walter Pauli, leerling in de eerste helft van de jaren tachtig en vandaag adjunct-hoofdredacteur van De Morgen, maakte hij een diepe indruk. In de krant van 6 augustus 2005 noteerde hij zijn herinneringen aan ‘de oude Cools’. Pauli: ‘Hij woonde in een duistere kamer in het kasteel. Hij ontving wel leerlingen, om samen naar muziek te luisteren. De cd bestond nog niet, laat staan de iPod, maar Cools leefde nog in de tijd vóór de elpee. Hij had tientallen, honderden, wellicht duizenden banden, van die grote spoelen, vol klassieke muziek. Die lagen in gigantische stapels, metershoog, de ene naast de andere. In een permanent schemerduister hingen grote trossen gedroogde tabak, en een paar dode en even gedroogde vleermuisjes. Daartussen stond een bed met daarop de rozige gestalte van de oude Cools. Rozig, omdat hij elke ochtend urenlang in bad placht te liggen, waardoor zijn vel aldoor mals en rozig leek en hij voortdurend naar Sunlight-zeep rook. Cools was bijna tachtig en stapte met kromme rug, langzaam. Maar hij kroop wel op zijn bromfiets, met een overjaarse helm op zijn hoofd, om in het dorp de mis te doen, en af en toe werd iedereen opgeschrikt door een luide knal. Maar geen paniek, het “was Cools weer”. Cools was naar een raam hoog in het kasteel geklommen, had zijn oude buks bovengehaald, en knalde dan naar de metalen windhaantjes bovenop de slaapzaal, om te zien of hij ze nog kon raken. Hij kon het nog.’
      Henri Serroyen, die dit portret met veel plezier las, brengt één nuance aan: ‘Hij zat inderdaad uren in bad, maar enkel op zondagochtend. Dat deed hij dan in kokend heet water, steevast met boek en pijp.’

Eén ding is zeker: ‘Nand’ Cools lag goed bij de lekenleraren. Bijna al mijn interviewees voor het boek begonnen spontaan over hem. Met warme gevoelens.
      Kamiel Henskens: ‘Hij was niet de eenzaat die hij leek. Het tegendeel: een bourgondiër. Hij had de sleutel van de wijnkelder. En bij elke goede gelegenheid die zich aandiende, ging hij daar een fles halen om ons te trakteren.’
      Raymond Van Dycke: ‘Op een van de fancyfairs die jaarlijks ten voordele van de school plaatshadden, heeft hij mijn vrouw geleerd hoe lekker kaas in combinatie met wijn kan zijn.’
      Julien Ickx: ‘Toen hij nog lesgaf, weigerde hij naar leraarsvergaderingen te komen. Uit principe. Hij leefde op zijn persoonlijke ritme. Als priester moest hij bijvoorbeeld dagelijks een mis doen. Wel, dat deed hij dan bijvoorbeeld om drie uur ’s nachts. Hij had een grote collectie pijpen en in zijn kamer hingen altijd alcoholwalmen, want hij liet zijn tabak trekken in likeuren.’
      Jacques Vienne: ‘Tja, die kamer van Cools was een British Museum. Ik ben er maar een paar keer geweest. Olala! Overal boeken op zijn bed, zodat hij nauwelijks plaats had om te slapen. Vogelkooien...’
      Rik Arits: ‘... en soms goudvissen in zijn lavabo. Op een dag had hij zijn tanden laten trekken. Toen begon hij eigenhandig een mengsel te brouwen met geklutste eieren. Het zag er ongelooflijk vies uit, maar Nand kapte het zonder enige aarzeling naar binnen.’
      Renil Cappelle: ‘In de refter van de priesters, waar ook wij aten, vergastte hij ons lange tijd elke dag op een raadseltje. Ik dacht: waar blijft hij dat toch vandaan halen? Bleek dat hij het dagelijks op een Franstalige radiozender hoorde, waar dat raadseltje een programmarubriek was.’
      Dirk Vanderlinden: ‘Ik vond hem aangenaam gezelschap aan tafel, waar hij altijd veel zout op zijn eten deed. En sla weigerde hij consequent. “Ik sta niet op een weide”, zei hij.’

In de zomer zette ‘de Nand’ een zeteltje op het dak van de kasteeltoren. Daar ging hij dan van de zon genieten, terwijl hij het rechtse satirische blad ’t Pallieterke las. Dat hedonistische trekje had hij overgehouden aan zijn verblijf in Zuid-Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het uitbreken van die oorlog was hij naar ginds gevlucht, waar hij, in de buurt van Marseille, in een Klein Seminarie leraar Latijn werd. En hij leefde er tot 1945 als God in Frankrijk.

Het Fenomeen Cools stierf op een zondagmorgen in juli 1994. Dertien jaar tevoren had hij het bezoek gekregen van drie leerlingen voor een interview in Meldertsche Tijdinghen. Ze mochten zijn geweren (met kogeltjes) bewonderen. Die dienden voornamelijk om de muizen op zijn kamer dood te schieten. Het gesprek ging over zijn kanaries: ‘Ik heb er nog slechts zes. Ze planten zich niet meer voort.’ En over de decorstukken in zijn kamer: ‘Kijk, daar hangen een bajonet en een dolk van het Belgische leger.’ En over zijn pijpen, waaronder een opiumpijp: ‘Ik gebruik meestal doorrokers. Dat zijn pijpen waarop een figuur verschijnt na een honderdtal keren roken. Ik heb een koperen stuk aan mijn pijpen gezet opdat de rook kouder wordt. Doorrokers zijn trouwens erg handig: als je ze laat vallen, moet je ze niet meer oprapen, enkel bij elkaar vegen.’

 
 

 

Van september 2007 tot juni 2008 houdt journalist Manu Adriaens hier een maandelijkse weblog bij. Hij is een oud-leerling van het Sint-Janscollege (1971-1977) en schrijft het gedenkboek dat in mei 2008 verschijnt naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de school.

 

 

Paters in 1961
1961

Achterste rij, staand:
paters Walter Groenen, Jozef Stevens, Richard Van Alken, Kees Moerel, Henri Serroyen, Richard Cieslak, Frans Roymans

Voorste rij, zittend:
broeder Emile Charon, paters Ferdinand Cools, Jan De Laat, Joseph Arnould, Frans Van Rossum, Edmond Dirckx