blog  
   
line decor
  
line decor
 
 
 
 

 
 
Op bezoek bij Simone
(april 2008)

Net als de Aalmoezeniers van de Arbeid verhuisden in 1957 ook Eugène Oliviers en Maria Vander Weyden van Argenteuil naar Meldert. Het conciërge-echtpaar had vier kinderen, waarvan de jongste Simone heet.
    ‘Simone!’ roept een oud-leerling, die ik voor mijn boek interview, verrukt uit. ‘We hebben haar allemaal gekend. Ik zou zelfs meer zeggen: waren we niet allemaal een beetje verliefd op haar?’
    Die Simone ontvangt me in Tienen, waar ze met haar man woont: Julien Ickx, van 1991 tot 2002 de directeur van het Sint-Janscollege. Ze trouwden halverwege de jaren zeventig, toen hij nog leraar Engels en Duits was.
     Simone: ‘Toen mijn ouders zich in 1957 in de conciërgewoning, aan de zijkant van het wagenhuis, kwamen vestigen, was ik een meisje dat nog niet zo lang haar eerste communie had gedaan. Een beeld van die eerste dagen dat ik nooit vergeet: ik deelde een kamer met mijn twee jaar oudere zus Christiane en er zaten ongelooflijk veel muizen. Als we onze dekens bewogen, wipten die beestjes omhoog! Er was nog heel wat werk aan de winkel, hé. Mijn vader was voor de paters de duivel-doet-al. Daarom bedacht Aalmoezenier Henri Serroyen, toen hij directeur werd, hem met de eretitel “de baas”. Echt, hij stond dag en nacht voor ze klaar. Létterlijk: als er ergens een waterlek was, vond hij het maar normaal dat hij daarvoor onmiddellijk uit zijn bed kwam en aan de herstelling begon. Maar ook aan mijn moeder hebben de paters enorm veel te danken. Ik mag dat zeggen, want ik heb het al die jaren met mijn eigen ogen gezien. Om eerlijk te zijn: ik leed er als kind zelfs een beetje onder. Ik vond dat mijn moeder te weinig tijd voor mij had. Zij was bijvoorbeeld degene die de was van de Aalmoezeniers deed en met hen meeging als ze een nieuw kostuum nodig hadden. Voor de fancyfair in de jaren zestig maakte ze alle koude schotels klaar. Vier dagen was ze daarmee in de weer, samen met de hele familie. En ondertussen ging ze ook nog in de streek om prijzen bedelen.’

Simones ouders zijn intussen allebei dood: vader stierf al in 1981, moeder in 2007. ‘Ik was een meisje en de leerlingen staarden van achter het raam vaak naar mij. “Mevrouw Oliviers, u moet uw dochter binnenhouden”, kreeg mijn ma meer dan eens te horen van de Aalmoezeniers. Waarop zij dan antwoordde: “Ik kan haar toch niet opsluiten?” Als oplossing bedacht ze, rond mijn tiende, dat ik maar beter naar een pensionaat kon: bij de zusters van Mariadal in Hoegaarden. Maar daar moest ik elke ochtend naar de mis en dat zag Simoneke niet zitten. Dus viel ik zogezegd flauw, waarna ze me uit de kapel moesten wegbrengen. Uiteindelijk heb ik me daar laten ontvoeren door bakker Pierre Vandenneucker, die ook op het Sint-Janscollege het brood leverde. Toen hij op een dag in Mariadal was, vroeg ik hem: “Mag ik mee met je tot bij mij thuis?” Pierre had er geen bezwaar tegen: “Kruip maar in de bestelwagen, tussen het brood.” Na mijn vlucht ontstond er uiteraard grote paniek bij de nonnen. “Simone Oliviers is verdwenen! Ze zal toch niet verdronken zijn in de vijver?” Zowel voor hen als voor mijn ouders was het een hele opluchting toen ik even later thuis stond: ongedeerd afgeleverd door Pierre, de bakker. Vanaf dat moment mocht ik in Mariadal externe leerlinge zijn. Mijn middelbaar onderwijs heb ik gedaan in Jodoigne, bij de Zusters van de Voorzienigheid. Ik ben afgestudeerd als kapster, maar dat beroep heb ik niet lang uitgeoefend. Even heb ik nog in een schoenenwinkel en een kledingzaak gewerkt, tot ik in de keuken van de school ben begonnen.’
    Post voor u, het collegeblad met paparazzi-allure, kopte in de editie van september 1970: ‘Simone werkt in de keuken! Het nieuws is ingeslagen als een (seks)bom.’
    Simone, zoveel jaren later: ‘Ik ben in de collegekeuken gebleven tot in 1978. Als mijn ma er niet was, werd ik geacht de leiding van haar over te nemen. Maar ik had één probleem: ik kon niet commanderen. De koffiepauze van het personeel liet ik bijvoorbeeld uitlopen. Ik was niet streng genoeg, vond mijn moeder. Ach, voor mij was het belangrijker dat er een plezante sfeer heerste onder de collega’s. In het begin waren er hoofdzakelijk vrouwen van middelbare leeftijd tewerkgesteld, later kwamen er jongere keukenmeiden. En daar waren de leerlingen niet rouwig om.’
    Vader en moeder Oliviers verruilden, terwijl ze nog allebei aan de school verbonden bleven, de conciërgewoning op het kasteeldomein voor een mooie vierkantshoeve in Hauthem. ‘Daar kwamen wel eens leerlingen een karweitje opknappen. In ruil werden ze door ma goed voorzien van eten en drinken. Dat wisten ze, dus deden ze niks liever.’

Henri Serroyen, die als Aalmoezenier van de Arbeid nog altijd in het kasteel woont, was als directeur een bevoorrechte én belanghebbende getuige van het tijdperk van de familie Oliviers. Hij beaamt de woorden van Simone onmiddellijk: ‘We hebben ontzettend veel aan haar ouders te danken. Ze waren voor ons, Aalmoezeniers – altijd krap bij kas – van goudwaarde. Het bescheiden kostgeld dat we voor elke leerling vroegen, liet niet toe dat we haute cuisine serveerden. Mevrouw Oliviers kende ons budget. Daarmee probeerde ze het onderste uit de kan te halen. Met haar man trok ze in alle vroegte naar de vleesmarkt in Anderlecht, waar ze samen over de prijs onderhandelden. Hetzelfde op de groentemarkt. Ze waren permanent alert. Als ze dachten dat ze hetzelfde op een andere plaats goedkoper konden krijgen, maakten ze een ommetje. Alle respect voor hen, omdat ze namens ons elke frank omdraaiden.’

Simone: ‘In de jaren zestig werd ik door velen “het spook van het kasteel” genoemd. Als ik even een praatje maakte met een leerling, vonden de paters dat heel gevaarlijk. Mijn moeder werd om die reden herhaaldelijk op de vingers getikt. Tja, ik was een jong meisje van zeventien, achttien. Met een hip bloesje en een –zeker volgens hen – te kort rokje. Mijn vader probeerde me op andere gedachten te brengen: “Je zou je beter wat warmer kleden, anders ga je later nog veel last hebben van reumatism.” Maar ja, daar had ik geen oren naar. Ik was jong en wilde mee zijn met de mode.’
     Of ze wel eens liefdesbrieven kreeg van leerlingen? ‘Geen brieven, maar één keer stopte iemand me een foto toe. Die verborg ik op mijn slaapkamer, achter een kader. Op een keer kwam ik thuis en stelde ik vast dat mijn moeder de foto had ontdekt. Het was mijn beste dag niet!’

 
 

 

Van september 2007 tot juni 2008 houdt journalist Manu Adriaens hier een maandelijkse weblog bij. Hij is een oud-leerling van het Sint-Janscollege (1971-1977) en schrijft het gedenkboek dat in mei 2008 verschijnt naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de school.

 

c

s

s