|
1. Een leerling heeft de juiste maat stoel als deze eenvoudig
met de voeten plat op de grond kan zitten terwijl de boven-
en onderbenen een hoek van ongeveer 90 graden met elkaar maken.
2. Een leerling heeft een te
hoge maat stoel als deze niet eenvoudig met de voeten plat op de grond
kan zitten. Gevolg: de voorkant van de stoelzitting drukt in de bovenbenen
van de leerling, waardoor er een slechte doorbloeding
van de onderbenen en voeten plaatsvindt. Bovendien wordt bij een te hoge
stoel de lage rug onvoldoende door de leuning ondersteund. Dit leidt tot een
vergrote kans op rugklachten en zelfs vergroeiing van de wervelkolom. Tenslotte wordt de leerling in zijn bewegingsvrijheid
belemmerd indien de bovenzijde van de rugleuning hoger is dan de onderkant
van de schouderbladen.
3. Een leerling heeft een te
lage maat stoel als deze eenvoudig met de voeten plat op de grond kan
zitten, maar de knieën naar boven wijzen en alleen de billen de zitting
raken. Gevolg: er ontstaat een hoge druk onder de billen. Dit kan leiden tot
pijn en een slechte doorbloeding. Bovendien wordt bij een te lage stoel de
hoge rug onvoldoende door de leuning ondersteund, waardoor rugklachten en
zelfs vergroeiing van de wervelkolom kunnen ontstaan.
4. Een leerling heeft de
juiste maat tafel als deze met de armen over elkaar dicht bij het lichaam
op tafel kan steunen, terwijl de schouders ontspannen blijven.
5. Een leerling heeft een te hoge maat tafel als deze niet
met de armen over elkaar dicht bij het lichaam op tafel kan steunen, terwijl
de schouders ontspannen blijven. Gevolg: er is een verhoogde kans op klachten
met betrekking tot schouders, rug en nek.
6. Een leerling heeft een te
lage maat tafel als deze niet zonder voorover te buigen met de armen over
elkaar op tafel kan steunen. Gevolg: door het kromtrekken van de rug ontstaat
een vergroot risico op rugklachten en zelfs vergroeiing van de wervelkolom.
|